Naast je zit er één (2)
In de groene Jaguar rijden ze naar het bos. De hond op de leren achterbank.
Ze praten over de auto, het weer en de klimaatverandering.
Ze draaien er omheen.
Lopend in het bos beginnen ze te praten.
Arjan is de jongste uit een groot gereformeerd gezin. Veel regels, weinig aandacht. Zijn vader, kerkorganist, had plannen met zijn kinderen.
Arjan was slim, dus hij moest naar het gymnasium. Hij wilde dat niet. Hij wilde naar de ambachtsschool, bij zijn vrienden blijven.
Toch fietste hij elke ochtend naar de stad.
Niet naar school, maar naar werk.
Zijn vader kwam erachter en sloeg hem bont en blauw. Zijn moeder vond dat nogal mild en deed het zelf. Met de pollepel.
Arjan was veertien toen hij wegging.
Ze lopen een stuk zwijgend verder. De hond jaagt een mountainbiker op. Ze laten haar.
Hij trok door Europa, zonder geld. Werkte hier en daar. Soms voor geld, soms voor eten of een slaapplek. Soms nam hij wat nodig was.
Slapen deed hij in schuren of in een schaapskooi. Warm genoeg. Hij was alleen, maar minder eenzaam dan thuis.
Hij was vrij.
In die tijd leerde hij naar zichzelf te luisteren. Naar het ritme van zijn hart. Zwervend vond hij zijn eigenwaarde.
Toen hij terugkwam, was het zijn kostbaarste schat. Hij wikkelde het in fluweel en droeg haar dicht op de huid.
Maar hij hield ook een zwaard bij de hand.
Voor als iemand eraan kwam.
Ze lopen langs een open plek. Het licht valt tussen de bomen door.
Arjan haalde diploma’s, ging werken en maakte carrière. Steeds een stap hoger. Een groter team. Een duurdere auto.
Dat ging goed. Maar telkens gebeurde hetzelfde.
Zodra iemand aan hem trok, ging het zwaard.
Conflicten. Ontslag. Nieuwe baan.
Iets beter. Iets hoger.
Het leek steeds winst.
Zijn ouders waren trots. Dat is ook begrijpelijk.
Ze lopen verder. De hond snuffelt in het zand.
Ze hebben niets uit hem geslagen. Ze hebben zijn eigenheid dieper in hem geslagen.