Free Willy
“Moet je nog ver?”, roept hij Vrouwtje Jas na, die hem in volle vaart voorbij fietst. Ze kijkt achterom en stopt met trappen.
Hij zet een tandje bij en zegt: “Ik zag je op de boot al staan en heb nagelaten om je aan te spreken. Maar ik houd van praten en ben blij dat je nu naast me fietst. Ik ben wel een klets hoor; als je er genoeg van hebt, moet je dat maar zeggen.”
Wat een vreemde start van een gesprek.
Nou ja, gesprek? Het is een monoloog die zestig kilometer duurt. Van Den Helder tot Castricum.
Willy vertelt. Over zijn werk als medisch analist. Over zijn kinderen en de kleinkinderen die hij zelden ziet. Over een fietsvakantie op Texel. En over de dertig euro die hij daar is kwijtgeraakt. Hij weet niet hoe hij moet uitleggen waar dat geld gebleven is.
Zij denkt aan haar eigen portemonnee. Ze heeft geen idee hoeveel erin zit. Dertig euro meer of minder zou ze waarschijnlijk niet eens opmerken. Gênant eigenlijk.
Willy vraagt of ze wat langzamer wil fietsen. Niet omdat hij het niet bij kan houden, maar omdat hij niet te vroeg thuis wil zijn.
“Als ik voor half acht thuiskom, is mijn vrouw van slag. Ze rekent op half acht, dus ik zal er om half acht zijn.”
Vrouwtje Jas zegt dat ze het vast wel gezellig vindt als hij wat eerder is. Willy lacht kort.
“Nee joh. Dat vindt ze vreselijk. Om vijf voor half acht staat ze in de hal. Als ze me hoort aankomen, trekt ze de voordeur open en zegt dat ik mijn fiets en mijn tassen in de schuur moet zetten, mijn schoenen buiten moet laten staan en mijn fietsbroek en bezwete kleren op de mat moet leggen.”
Hij praat door.
Over het schema van zijn vrouw. Ze staat iedere ochtend om zes uur op om te gaan poetsen. Het schema kent een paar pauzes en gaat door tot half tien ’s avonds. Willy leeft daar zorgvuldig omheen. Zeker sinds hij met pensioen is.
Zo nu en dan ontsnapt hij. Dan gaat hij fietsen. Soms een paar dagen weg. Wandelen en kamperen. Zijn vrouw gaat niet mee. Ze houdt niet van vakantie. Ze zijn nog nooit samen op reis geweest. Nu hij ouder wordt, valt het hem zwaarder. Hij droomt van een klein campertje. Op Marktplaats heeft hij er één gevonden. Net geen drieduizend euro. Hij kan hem zelf opknappen, denkt hij.
Hij heeft het voorzichtig voorgesteld. Op een goed moment. Vlak nadat ze een erfenis van bijna een miljoen euro had ontvangen.
Het mocht niet.
Tot nu toe heeft Vrouwtje Jas nauwelijks gereageerd.
Maar nu zegt ze “Tsss, wat een leven. Waarom blijf je dit zo doen?”
Willy kijkt even voor zich uit.
“Ik ga je iets eerlijk vertellen.”
Hij vertelt over een collega. Dat hij verliefd op haar was. Dat hij, als hij werd opgeroepen door het ziekenhuis, naar haar toe ging. Maandenlang.
“Dat waren de mooiste maanden van mijn leven.”
Hij dacht dat zijn vrouw het niet zou merken. Maar zij hield zijn uren bij. En zijn verdiensten. Dat klopte niet.
Toen was het klaar.
Voor het eerst in al die kilometers is hij stil.
Een jaar later belde de moeder van die vrouw. Ze was overleden.
Zelfdoding.
“Blij toe,” had zijn vrouw gezegd.
De wind staat even stil.
In de maanden daarna viel Willy veel af. Hij zag er slecht uit. Zijn vrouw stuurde hem naar de arts. Diabetes.
Hij kreeg medicijnen. Die neemt hij nog steeds.
Tenminste…
“Ik haal ze elke week bij de apotheek,” zegt hij.
“En als ze niet kijkt, spoel ik ze door de gootsteen.”
Hij kijkt niet naar haar als hij zegt: “Ze verlengen mijn leven. Maar ik wil mijn leven niet verlengen.”
Zijn gezondheid gaat achteruit.
Hij denkt dat dit zijn laatste fietsvakantie is.
In Castricum nemen ze afscheid.
“We zijn nu dicht bij mijn huis. Als mijn vrouw, of iemand die ze kent, mij met een andere vrouw ziet fietsen, is het huis te klein.”
Vrowutje Jas fietst door.
De beklemming — zijn beklemming — fietst nog kilometers met haar mee.
Wat een leven. Misschien kun je beter zeggen:
Wat een dood.